BLOG: Simon Daniël – Generaties in Carré

Daar sta ik dan. In het donker achter het voordoek. Ik check nog gauw even of mijn stropdas recht zit en mijn gulp dicht is. Ik spring een keer of twee op en neer en stamp wat met mijn voeten op de vloer om de adrenaline eruit te gooien. Een blik naar mijn collega’s van Onder De Groene Hemel, waarvan de meesten hier al eerder gestaan hebben, maar nog even gespannen lijken als ik. Ik ben 23 en sta op het punt af te studeren aan de Frank Sanders’ Akademie, en na een lange tournee staan we nu eindelijk in mijn ‘hometown’ Amsterdam, en wel in Koninklijk Theater Carré. Het geroezemoes van de duizend toeschouwers in de zaal dooft net zo snel als het zaallicht. Nog even en dan gaat het gebeuren, dan gaat het doek open.

Dit is het, denk ik nog, dit is de dag dat mijn jongensdroom uitkomt.

Als jochie van een jaar of acht wist ik al dat ik verhalen wilde vertellen. Ik wilde de mensen meenemen in de meest spannende avonturen. De mensen raken, ontroeren, op welke manier dan ook. Toentertijd deed ik dat in de achtertuin, op een krukje, voor een stuk of zes buurtkinderen. Voorstellingen die gingen over alles wat ik fantaseerde, gespeeld in een tent gemaakt van lakens aan de waslijn. Vijftien jaar later is er in feite niet veel verandert; ik vertel nog steeds verhalen, over van alles, maar nu in een vol theater. De lakens zijn vervangen door een versierd plafond met prachtige kroonluchters, het krukje door een enorm toneel en de zes buurtkinderen door een volle zaal publiek. Maar ik voel nog precies hetzelfde nerveuze geluk als toen. Dat ik dít mag doen.

Bij ons thuis hing er vroeger altijd een reclameposter aan de muur van een operette-voorstelling genaamd de Zilverwolf. Met een grote afbeelding van theater Carré en een vijfcijferig(!) telefoonnummer van toenmalig directeur Alex Wunnink. En daaronder, jazeker, de naam van mijn overgrootvader Lucien Louman. Hij was bas-bariton en trad op in concertzalen als het Concertgebouw in Amsterdam en het Kurhaus in Scheveningen. Verder was hij te horen op de radio én te zien op het grote toneel van Carré, in 1940. Voor een gulden en vijfentwintig cent had je goede plaatsen.

Hoe zou mijn overgrootvader het toen hebben ervaren? Was hij net zo nerveus als ik? Vond hij het net zo vet om hier te staan? Hoe was het überhaupt, om theater te maken midden in oorlogstijd? In het hartje van een gegijzeld Amsterdam? Ik heb hem helaas nooit gekend; hij overleed na een ziekbed in 1952 in Haarlem. Maar misschien is hij nu wel in de zaal aanwezig. Misschien kijkt hij toe hoe zijn achterkleinzoon zijn Carré-debuut maakt. Misschien lacht hij mij wel uit om mijn nervositeit en vind hij dat ik er gewoon van moet gaan genieten. Misschien is hij wel trots.

Ik heb er natuurlijk ook jaren voor gestudeerd. Ik heb er natuurlijk ook keihard voor gewerkt, ik heb audities gedaan, weken gerepeteerd en in een paar maanden al meer dan 90 voorstellingen gespeeld. Ik sta hier dus ook met een reden. Ik heb het misschien ook wel een beetje verdiend. Ik kan misschien ook wel trots op mezelf zijn, dat ik hier altijd van droomde en het nu gewoon sta te doen. Maar toch is het moeilijk om cool te blijven als je weet dat binnen enkele seconden het openingsnummer inzet, het voordoek open gaat en je al die ogen op je gericht voelt. En dat er een nieuw verhaal begint.

Nog één keer diep ademen.

‘Aanvang!’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.